‘Ik ga winnen hoor. Ik ben hier heel goed in.’

Wieske van der Hoeven is psychomotorisch therapeute. In haar werk bij Schakenbosch heeft ze al met talloze jongeren gewerkt. Stuk voor stuk met complexe problematiek. Eén meisje zal haar altijd bijblijven. Het was namelijk een moeilijk proces geweest waarin ze zich vele keren had afgevraagd of ze door moest gaan of niet. ‘Heel gaaf wanneer ik denk aan wat ze uiteindelijk heeft bereikt.’ Hieronder vertelt ze haar verhaal.

Toen ik met haar startte, wist ze dat het niet goed ging. Ze begreep dat ik er was om haar te helpen. Ze had haar emoties niet onder controle. Soms werd het ineens zwart voor haar ogen en werd ze heel agressief. Vaak was ze erna dan juist weer heel verdrietig. Ze vond het moeilijk om alleen te zijn, maar had geen aansluiting bij de andere jongeren. En als ze dan iemand aardig vond, werd ze heel krampachtig, bang om de vriendschap te verprutsen. Ze had in haar jonge leven al veel meegemaakt. Die ervaringen speelden zeker een rol. Kortom, ik had een meisje voor me met een flinke achterstand in haar emotionele ontwikkeling.

Maar dat ze open stond voor behandeling, betekende niet dat therapie makkelijk voor haar was. Ze vond het erg spannend om wekelijks naar mij toe te gaan. Doodeng gewoon. Toen ze een mindere periode had, lukte het helemaal niet. Ik ging naar de groep om even met haar te praten op haar kamer. Soms lukte het op deze manier om dan contact te maken, soms ook niet.

Als het haar wel lukte om te komen, deed ze goed mee. Ze hield van spelletjes. We deden vanalles, van basketbal tot midgetgolf. Ze hield zich goed aan de regels van het spel en probeerde altijd te winnen. Bij voorbaat zij ze al: ‘Ik ga winnen hoor. Ik ben hier heel goed in.’ En als ze toch verloor, zei ze: ‘De volgende keer win ik.’

Ze had in het begin geen idee van haar gevoelens. Als ze bijvoorbeeld vertelde dat ze boos was, bleek ze eigenlijk verdrietig. We praatten over wat ze voelde in haar lichaam, van haar tenen tot haar buik en haar ademhaling. Wat er met haar gebeurde bij inspanning en wat ze voelde als ze verdrietig was of juist boos. Ik gebruikte een lijst van rode en groene gevoelens en daarmee hebben wij heel veel geoefend.

Een poster van de rode en groene gevoelens kwam ook op de groep te hangen, zodat ze er ook met haar begeleiders mee kon oefenen. Soms lukte het niet om te zeggen hoe ze zich voelde, maar kon ze het wel aanwijzen. Dan was er een opening om er later met haar over te praten.

Er waren vele momenten dat ik me afvroeg of we wel door moesten gaan wanneer het haar weer niet lukte om naar therapie te komen. Ik had namelijk ook een wachtlijst. Tegelijkertijd wist ik dat er bij haar wel een ingang was.

Ik ben blij dat we hebben doorgezet. Het is een heel proces geweest, maar ze heeft echt stappen gezet in die periode. Ze kon, hetgeen ze leerde, ook op de groep oefenen met haar begeleiders. Dat is echt de kracht. Dat we er als een team voor haar waren, ik maar dus ook de groepsleiding en haar mentor. 

In onze laatste sessie vroeg ik: ‘Wat vind je dat je zelf hebt geleerd?’ Ze kon het heel goed onder woorden brengen. Dat vond ik erg knap. Ze vertelde dat ze meer controle had, haar emoties beter kon uiten en probeerde in gesprek te gaan. ‘Ik gooi minder met dingen’ had ze ook gezegd. Hahaha, dat is gelukkig ook waar. Heel gaaf wanneer ik denk aan wat ze uiteindelijk heeft bereikt.