‘70 procent van therapie zit in de relatie’

Van 9 tot 13 november was het de Week van de Vaktherapie. Een mooie gelegenheid om Wieske van der Hoeven en Toby Koen, psychomotorische therapeuten bij Schakenbosch, te vragen naar hun werk.

Psychomotorische therapie (PMT) is een van de vaktherapieën die bij Schakenbosch wordt gebruikt. Lichaamsbeleving en bewegingsgedrag staan centraal. Wieske van der Hoeven legt uit: “Door sport en spel of lichaamsgeoriënteerde oefeningen komt een jongere letterlijk in beweging of staat juist stil bij zijn ervaringen. Zo leert hij of zij om lichaamssignalen, gevoelens en gedragspatronen te herkennen, te verwoorden en te begrijpen.” Een therapeut kan met een jongere werken aan allerlei thema's. Enkele voorbeelden zijn: weerbaarheid, emotie, spanning, vertrouwen, keuzes maken of eigen kracht ervaren.

De jongeren van Schakenbosch zijn geen zorgeloze tieners. Ze hebben veel meegemaakt en er speelt vanalles. De start van een behandeling bereiden de therapeuten daarom goed voor. Bij de eerste afspraak is het fijn als iemand meegaat die ze vertrouwen. Dat maakt het iets minder spannend. 

“Het opbouwen van een vertrouwensband is heel belangrijk. Ze hebben al zoveel verschillende behandelaren gehad. Ze kijken me soms aan alsof ze zeggen: Wie ben jij? Wie zegt dat jij mij kunt helpen?’ Wieske van der Hoeven en Toby Koen vertellen dat het opbouwen van het contact al een doel op zich is. Soms duurt dat lang. 

De therapeuten bespreken of de jongeren zelf een idee hebben waarvoor ze bij therapie zijn en of ze ook nog zelf dingen willen leren of oefenen. Dingen die ze lastig vinden. ‘We proberen in te haken op iets wat ze leuk vinden. Voor de een is dat basketbal. Een ander houdt weer van spelletjes.’

‘Soms wil je te snel,’ aldus Van der Hoeven. ‘Er moet ook al zo veel.” Voordat een jongere op een afspraak kan komen, is er al een heel traject aan vooraf gegaan met opstaan, aankleden, ontbijten etc.  Voor sommigen is het ‘gewoon’ doorlopen van de dag al moeilijk genoeg. Zoals directeur Kees in ’t Veld het verwoordde: ‘De kinderen hebben zoveel aan hun hoofd, dat er verder niets meer bij past.’ 

Als het een jongere niet lukt om te komen - omdat het te eng is of te moeilijk of dat hij of zij gewoon een rotdag heeft – dan gaat de therapeut langs bij de jongere. ‘Ik vertel dat het oké is om het eng te vinden of om een rotdag te hebben. Soms helpt het om samen een rondje te lopen. We praten dan over hoe hij zich voelt en wat hij voelt in zijn lichaam. Het gesprek dat we hebben, is ook therapie, maar dat hebben ze dan niet door.’ Toby Koen vult aan: ’70 tot 80% van therapie zit in de relatie, maar 20 tot 30% zit in wat je doet.’

Af en toe nodigen ze een mentor of een ouder uit om bij een sessie in de sportzaal aanwezig te zijn. ‘Maar,’ zegt Van der Hoeven, ‘als ze er zijn, moeten ze meedoen.’ Een jongere ziet zijn mentor dan bijvoorbeeld ook in valkuilen stappen en kan dan zelf trots laten zien wat hij geleerd en geoefend heeft. 

Is het een moeilijk beroep? ‘Je moet veel geduld hebben. Maar als je het contact kan maken en een jongere letterlijk in beweging krijgt, dan heb je het grootste deel bereikt. En dat is echt gaaf.’